De Europese Gemeenschap van Zon en Wind

Het is deze week precies zestig jaar geleden dat in Parijs de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) boven de doopvont werd gehouden, de verre voorloper van de Europese Unie. De Franse bezielers, vredesdiplomaat Jean Monnet en buitenlandminister Robert Shuman, wisten Frankrijk op die manier een gegarandeerde toegang te verschaffen tot onze en Duitse steenkoolbekkens en verkregen een grotere afzetmarkt voor de Franse industrie. Maar tegelijk zorgde het voor een Unie waarin ongelijk verdeelde natuurlijke rijkdommen en beschikbare productiekrachten maximaal konden renderen ten voordele van meer welvaart voor meer burgers.

Vandaag wordt onze welvaart opnieuw bedreigd. Enerzijds door een ongelijke toegang tot schaarser wordende fossiele brandstoffen, anderzijds door de klimaatverandering die het gevolg is van onze verslaving eraan. Europa is zich daar van bewust. Vorige maand nog lanceerde de Europese Commissie de Energy Roadmap 2050, een stappenplan om tegen 2050 tot een koolstofarme economie te komen, waarbij de CO2-uitstoot van onze elektriciteitsvoorziening zelfs helemaal tot nul wordt herleid. Er zijn echter veel paden die tot dat doel kunnen leiden. Sommigen blijven fors inzetten op kernenergie of op "schoon fossiel", waarbij de CO2-uistoot van steenkoolcentrales in de bodem wordt opgeslagen. De kernramp in Japan maakt echter duidelijk dat feilloze kernenergie niet bestaat, nog los van de vaststelling dat niemand een oplossing heeft voor het hoogradioactief afval.

Gelukkig bewijzen steeds meer studies dat we de Europese stroomvraag volledig uit hernieuwbare bronnen kunnen halen, zelfs met de nu al gekende technieken op het vlak van energiebesparing en hernieuwbare productie. Allemaal hebben ze dezelfde boodschap: er zijn grote investeringen nodig in de energievoorziening van de toekomst, maar die verdienen zich op termijn meer dan terug onder de vorm van uitgespaarde fossiele brandstofkosten. Vooral de uitbouw van supernetten en slimme netten zijn cruciaal om op een rendabele manier de hernieuwbare energie te oogsten, te transporteren en op te slaan. Supernetten -  makkelijk boorbare hoogspanningskabels op gelijkstroom die elektriciteit met weinig verliezen over lange afstanden kunnen transporteren  - moeten de windparken en getijdencentrales op de Noordzee met elkaar verbinden, én met de waterkrachtcentrales in Scandinavië. Die laatste zorgen voor stroom op momenten dat er weinig wind is en houden hun water op bij teveel windstroom. Het waait niet altijd overal, maar het waait altijd wel ergens. Met voldoende waterkracht erbij, kunnen we een constante elektriciteitsvoorziening garanderen. Supernetten kunnen ook de goedkopere zonne-energie uit Zuid Europa of Noord Afrika naar de meer noordelijke gebruikers voeren. De discussie van de laatste dagen over het al dan niet ondersteunen van zonne-energie in Vlaanderen, maakt duidelijk dat deze technologie bij ons weliswaar geschikt is als sluitstuk op een energiezuinig gebouw voor het dekken van het eigen energiegebruik, maar (nog) te duur voor de uitrol van mega zonneplantages. In het Zuiden worden die plantages wel rendabel. Kortom: supernetten kunnen hernieuwbare bronnen aanboren waar ze meest rendabel zijn en overschotten aanwenden om elders tekorten op te vangen of energie op te slaan (oppompen van water of produceren van waterstofgas). In zo'n scenario zal ons land nog wel flink meer importeren dan vandaag, maar deze "afhankelijkheid" van Europese collega's maakt onze economie ondertussen onafhankelijk van fossiele brandstoffen, die we nu voor 100% importeren. Zeker als we tegelijk de overschotstroom in dalperioden gebruiken voor de elektrificatie van transport (elektrische wagen) en verwarming (warmtepompen).

De slimme netten zijn dan weer noodzakelijk om de lokale, kleinschalige productie-installaties op de distributienetten in te pluggen en slim aan te sturen. Op momenten van piekvraag worden vele kleine (warmtekracht)installaties op afstand aangeschakeld en vormen één grote virtuele centrale, terwijl regelbare toestellen (zoals diepvriezen) even worden uitgelegd. In dalperioden zullen elektrische wagens worden opgeladen en regelbare toestellen zoals warmtepompen en wasmachines worden aangezet.

Uiteraard heeft de EU in de uitbouw van deze netten en markten een cruciale rol te spelen.

Net zoals de EU vorige decennia de Unie integreerde via de uitbouw van transeuropese transportnetten, moet ze dat nu doen via transeuropese energienetten. Die zorgen voor een verdere integratie en vergroening van de Europese elektriciteitsmarkt en verhogen haar leveringszekerheid. Op die manier ontstaat een Europese Gemeenschap van Zon en Wind die de Europese samenleving doet afkikken van haar koolstofverslaving en haar afhankelijkheid van de wispelturige en steeds maar stijgende prijzen op de internationale olie- en gasmarkten. Initieel kost dat iets meer aan investeringen. Maar die geldstroom blijft wel binnen Europa zelf, waar ze voor extra jobs en schonere lucht zorgt. En voor de ontwikkeling van een hoogtechnologische industrie die op termijn - als de prijzen van de fossiele energie overal die van de hernieuwbare hebben ingehaald - een wereldmarkt aan exportmogelijkheden zal zien open gaan. Het alternatief is steeds meer geld te exporteren naar politiek instabiele regio's voor een steeds duurder wordende olie- en gasfactuur in een steeds instabieler klimaat. Ofwel: een Europese Gemeenschap van Kommer en Kwel.

Bart Martens - Vlaams volksvertegenwoordiger sp.a

Een ingekorte versie verscheen op 23 april 2010 onder “De Gedachte” in De Morgen